
Steeds meer blijkt een nieuwe toetsing van de christologie het dringendste punt te worden in de pastoraal van de kerken: hoe of wat kan ik denken over die joodse Jezus die de kerk Christus noemt?
Het oudtestamentische schilderij van de onmacht om geroepenen en beloofden te verwekken vertoont zulke homogene trekken, dat de vraag opkomt of al deze heldenverhalen ons in aanraking brengen met een biologische bijzonderheid ofwel met een uiterst diepzinnige literaire constante, een vast patroon van godsdienstige vertel- en vertaalkunst. De tweede veronderstelling lijkt voor de hand liggend.
Voor de oosterling, aan wie wij de symbooltaal van het geloof goeddeels ontlenen, is de man de drager van de soevereiniteit, de drager van de cultuur, de uitsluitende drager ook van de voortplanting. Alléén de man verwekt, zij het in de schoot van de vrouw. Tegen deze achtergrond valt het te verstaan dat in de man niet alleen ons onvermogen, maar ook onze onwaardigheid wordt gebrandmerkt om het kind van de Belofte te wekken. In het Emmanuelboek (Jesaja 7) kan Achaz, de cynische koning van Juda die op de manier van de heidenen zijn zoon heeft geofferd, de belofte aan het huis van David niet meer doorgeven. Door Achaz’ impotentie ‘vanwege de Geest’ kan er niet meer uit hem een clan van David als clan van David gewekt worden. De Belofte is in hem afgebroken. De clan van David die hem opvolgt, hoezeer biologisch ook uit Achaz’ zaad, kan toch alleen door God tot echte clan van David worden geadopteerd. ‘Zie, de jonge vrouw (een ongenoemde) zal ontvangen en een zoon baren, en (niet gij, de man, maar) zij zal hem de naam geven Emmanuel, dat is God met ons’. Het woord ‘jonge vrouw’ in de Hebreeuwse bijbel werd rond de derde eeuw vóór Christus door Griekse rabbijnen vertaald door hè parthenos, de maagd.
Het evangelie predikt ons de Jood Jezus van Nazareth als de Geroepene, de Belofte bij uitstek. Als Woord van God komt hij van ‘also hoghe, van also veer’. Is het nu te verwonderen dat de diepzinnige dichters van Matteüs 1 en Lucas 1, die over Jezus peinsden en zongen, zijn door alles heen grijpende roeping gingen vertalen in het beeld van de maagdelijke ontvangenis? Dat een mens, juist in zijn zending, geschenk is en ontvangenis van Godswege, hadden de oudtestamentische epici telkens verteld of vertaald in het beeld van de gezegende staat en de verwachting waaraan een onvruchtbare deel kreeg. Nu het motief van de onvruchtbaarheid een weinig verspringt naar het motief van de maagdelijkheid, betekent dit dat het accent niet meer op de schamelheid en de determinismen, maar op de vrijheid in die schamelheid komt te liggen. Het betekent ook dat wij als dragers van de soevereiniteit en de cultuur de afdaling van het Woord van God niet in de hand kunnen nemen. Waarschijnlijk gestuwd door velerlei voorchristelijke heldenliteratuur, maar met joodse kuisheid en soberheid toch zeer behoedzaam, greep de jonge christenheid enkele keren naar de taal van de maagdelijke ontvangenis om te zeggen: Als Woord van God hebben we Jezus aan niemand tenzij aan de Geest van JHWH te danken! Want bij God is geen Woord onmogelijk.
Dat Jezus niet alleen discontinu – zonder de wil van de man, d.w.z. zonder geschiedenis – maar in continuïteit stamt uit het huis van David, en dat die roeping van God in het vlees van deze clan van David is geïncarneerd via Batseba, ja in het vlees van de incestueuze Juda via Tamar, betekent een geheel andere zijde van de religieuze kijk op de voorkomst van Jezus van Nazareth. Ook bij dat gezichtspunt staat niet de biologisch-realistische vraag op de voorgrond, maar opnieuw de heilshistorische.
Terwijl in de later aanvaarde Schrifttekst de stamlijst van Jezus eindigt met Jozef, de man van Maria, uit wie Jezus geboren is, wordt dit tweede gezichtspunt nog uitgedrukt in de oudste lezingen van de stamlijst: Jozef verwekte Jezus. En gold niet hetzelfde gezichtspunt in de stamlijst volgens Lucas (3, 23), voordat het woord over de vermeendheid van Jozefs vaderschap de boodschap van Gods aloorzakelijkheid in Jezus’ leven zo eenzijdig ging uitdrukken, dat er minder van menswording, dus minder van evangelie, sprake ging worden?
Jan van Kilsdonk S.J.
Bovenstaand fragment is genomen uit een preek in 1966 van de toenmalige studentenpastor en gepubliceerd in het Kerkenblad van de studentenecclesia te Amsterdam en daarna ook in De Heraut. In hetzelfde jaar heeft Jan van Kilsdonk over dit onderwerp ook een toespraak gehouden voor de Adelbertvereniging.
Op dit moment zijn er nog geen bijdragen voor dit thema.
